De eerlijkste recruiter in de kamer is een robot

De eerlijkste recruiter in de kamer is een robotFoto: Miguel Á. Padriñán via Pexels

De eerlijkste recruiter in de kamer is een robot

"En wat zijn jouw salarisverwachtingen?"

Even stilte. De kandidaat heeft zich voorbereid op deze vraag. Ze weet dat ze te laag moet beginnen, maar niet zó laag dat ze zichzelf tekort doet. Ze weet ook dat de recruiter haar antwoord gaat afzetten tegen een bandbreedte die hij niet zal noemen. Twee mensen die allebei iets weten wat ze niet zeggen.

"Ik denk ergens tussen de 55 en 60," zegt ze uiteindelijk.

"Oke," zegt de recruiter. "Dat is interessant." Wat dat betekent, weet geen van beiden.

Dit gesprek vindt honderden keren per dag plaats. In open kantoortuinen, op mobiele telefoontjes in de trein, via Teams-vensters die net iets te klein zijn. Recruiter en kandidaat dansen om het salaris heen, om de reistijd heen, om de vraag heen of de functie eigenlijk wel past. Ze zijn allebei vriendelijk. Ze zijn allebei voorzichtig. En ze vertellen allebei niet wat ze echt denken.

Dat is geen verwijt. Het is menselijk gedrag. We passen ons aan aan wat we denken dat de ander wil horen. We vermijden de ongemakkelijke waarheid als die ten koste kan gaan van een relatie die we net aan het opbouwen zijn. Psychologen noemen het sociale wenselijkheid. In recruitment heeft het een praktisch gevolg: kandidaten gaan door voor functies waarvan ze eigenlijk al weten dat het niet gaat werken.

Wat dan opvalt – en dit is het punt waar ik al een tijdje op kauw – is wat er gebeurt als je die menselijke recruiter uit het eerste gesprek haalt.

In geautomatiseerde voorkwalificatiegesprekken, waarbij een kandidaat vragen beantwoordt via een gesproken of getypt systeem, zeggen mensen dingen die ze nooit tegen een mens zouden zeggen. Niet omdat het systeem hen dwingt. Maar omdat de sociale druk wegvalt.

"Het salaris is te laag voor wat jullie vragen."

"De reistijd is 55 minuten enkele reis. Dat doe ik niet."

"Dit lijkt op mijn vorige functie, en die vond ik niks."

Eerlijk. Direct. Bruikbaar.

Een kandidaat die dit tegen een recruiter zou zeggen, voelt zich onbeleefd. Of ze vreest dat ze de deur dichtgooit voordat ze die goed heeft kunnen openhouwen. Dus zegt ze het niet. Ze zegt "ik sta open voor de mogelijkheden" en de recruiter schrijft op: "gemotiveerd." Twee weken later haakt ze af. Dan zegt iedereen dat kandidaten onbetrouwbaar zijn.

Ze was niet onbetrouwbaar. Ze was beleefd.

Het verschil tussen een gesprek met een mens en een gesprek met een systeem zit niet in de intelligentie van het systeem. Het zit in de afwezigheid van oordeel. Een kandidaat die tegen een scherm zegt dat de reistijd te lang is, hoeft niet te vrezen voor een teleurgesteld gezicht. Er is geen stem die even anders klinkt. Er is geen stilte die iets betekent. Er is gewoon een volgende vraag.

En dat maakt de antwoorden waarachtiger.

Dit heeft meetbare gevolgen. Kandidaten die in een geautomatiseerd voorkwalificatiegesprek aangeven dat een functie niet past, doen dat gemiddeld eerder en duidelijker dan wanneer ze dat met een recruiter hadden besproken. De match die overblijft is robuuster. Niet omdat het systeem beter selecteert op cv-kenmerken, maar omdat de kandidaat zichzelf beter heeft geselecteerd.

Die laatste zin verdient herhaling: de kandidaat heeft zichzelf geselecteerd.

Dat is het eigenlijke inzicht. Niet dat een systeem slimmer is dan een recruiter. Maar dat eerlijkheid een omgeving nodig heeft waarin ze kan bestaan. En die omgeving is, paradoxaal genoeg, soms makkelijker te creëren zonder menselijke aanwezigheid.

Nu de ongemakkelijke implicatie voor recruiters.

Als kandidaten eerlijker zijn tegen een systeem dan tegen jou, zegt dat iets over de werking van het gesprek dat je voert. Niet over jouw kwaliteiten. Niet over of jij aardig bent. Het zegt iets over de fundamentele asymmetrie in het voorkwalificatiegesprek: jij vertegenwoordigt de werkgever, de kandidaat wil een baan, en niemand heeft er belang bij om het gesprek te laten stranden op een praktische onmogelijkheid die beide partijen al zien aankomen.

Die asymmetrie los je niet op door milder te zijn. Of door nadrukkelijker te zeggen dat er geen goede of foute antwoorden zijn. De kandidaat weet dat dat niet klopt.

Wat je wel kunt doen is de voorkwalificatie behandelen als een aparte fase, met een eigen logica. Een fase die niet gaat over de relatie tussen jou en de kandidaat, maar over de vraag of de randvoorwaarden kloppen. Salaris. Locatie. Beschikbaarheid. Contractvorm. Dat zijn feiten, geen gevoelens. En feiten laten zich makkelijker uitwisselen in een omgeving die geen oordeel heeft.

De recruiter die dat begrijpt, verliest niets. Hij wint tijd. Hij wint kwaliteit. En hij hoeft het gesprek dat er echt toe doet – het gesprek over motivatie, over karakter, over of iemand past in een team – niet meer te beginnen met de vraag of het salaris eigenlijk wel in de buurt komt.

Er is nog iets anders. Kandidaten die in een voorkwalificatiegesprek eerlijk zijn geweest over wat ze willen, stappen een vervolgsgesprek in met meer vertrouwen. Ze hebben gezegd wat ze dachten. Er is bevestigd dat dat oké is. De recruiter die hen dan spreekt, ontmoet iemand die al een keer niet heeft ingeleverd op de waarheid.

Dat is een ander gesprek dan normaal.

De eerlijkste recruiter in de kamer is misschien inderdaad een robot. Maar het vermogen om die eerlijkheid te gebruiken – om er een betere selectie van te maken, om er een beter gesprek mee te beginnen, om kandidaten serieus te nemen als ze zeggen dat iets niet past – dat blijft mensenwerk.

De vraag is alleen of je daar ruimte voor maakt. Of je de voorkwalificatie blijft behandelen als een eerste kennismaking, met alle sociale rituelen die daarbij horen. Of dat je hem behandelt als wat hij is: een zeef. En een zeef werkt het best als je hem gewoon zijn werk laat doen.